Saturday, November 11, 2006

Seminarie IJpelaar

Bij de Gratie Gods






















Frans Hertoghs



























Bij de voorplaat: Regent J.H.M. de Lepper in 1952
Waar de grotere groep zich kan permitteren om haar leden een zekere vrijheidsmarge terzake afwijkende meningen, houdingen en gedragingen toe te staan, moet de sekte altijd streven naar een volledige onderwerping van het individu. De moraliteit van de sekte is een moraliteit van uitersten, zij kan geen voorbehoud tolereren. Er wordt een volledige toewijding verwacht; aarzeling, een daad van bedachtzaamheid en reflectie, is daarom verdacht. (LC)

Inleiding
Gulzige Instituties van Lewis Coser werd me toegestuurd door Jan van Wezel. Het boek gaat over de manier waarop allerlei instellingen individuen kunnen opslokken voor hun eigen doelen. Het was fascinerende literatuur.
In eerste instantie zag ik het verband met ons seminarie niet zo duidelijk. Maar al lezend ontdekte ik dat er ook bij ons wel degelijk sprake was van een gulzig instituut dat ons via geijkte kanalen had opgeslokt. Aan de middelen en manieren van opslokken die het boekje beschreef heb ik bij het schrijven van dit opstel veel gehad. De citaten aan het begin van elk hoofdstuk zijn uit dit boek genomen.
Ik leg dit stukje aan mijn ex-klas- en lotgenoten voor, zonder overigens mijn kijk of antwoorden als de enig juiste te beschouwen. Misschien zijn de volgende bladzijden zelfs voor anderen wel interessant genoeg om uit te lezen.
Frans Hertoghs

Aangezien contacten met buiten noodzakelijkerwijs afbreuk doen aan de verplichtingen van de leden jegens de groep, zijn verantwoordelijkheden tot een gezin door sekten altijd met wantrouwen bezien. Evenals het celibaat een van de middelen was waardoor de Kerk zich trachtte te verzekeren van volledige trouw van de geestelijkheid, zo ook beziet de sekte bloedverwantschap en andere sociale verplichtingen met afkeuring.
1 Een veilige broedplaats
De achterliggende gedachte achter elk katholiek seminarie was: het is een ‘veilige’ plaats waar toekomstige priesters kunnen worden verzameld, beschermd, opgevoed en bewaakt.
Die veiligheid lag voornamelijk in de afzondering van de buitenwereld. Priesters in de Rooms-Katholieke kerk moesten niet alleen deskundig zijn, goed opgeleid, voorbeeldige gelovigen en deugdzame individuen, ze dienden celibatair en liefst ook seksueel ‘onbezoedeld’ te blijven. De meest efficiënte manier om dat te bereiken was om de jongens al voor de puberteit op te vangen en ze veilig door die stormachtige en gevaarlijke levensfase te loodsen. Om dat te kunnen bereiken moesten de seminaristen eerst losgemaakt worden van het ouderlijk gezin.
Daarbij moesten er twee verschillende weerstanden onverwonnen worden. De ouders moesten ervan overtuigd worden dat deze afzondering niet alleen in het belang was van het kind, maar ook van henzelf. Dat het kind een grotere kans had op de eeuwige zaligheid wanneer het zich volledig aan god en aan de godsdienst zou toewijden, is een argument dat in alle godsdiensten en tijden ouders over de streep gehaald heeft. Evenals de onmiddellijk beloning in de vorm van maatschappelijke waardering. Zoals het hebben van een priesterzoon de ouders een certificaat van gedegen opvoeding en godsdienstige toewijding bezorgde, zo was de belofte van een priesterzoon daarop alvast een voorschot. Mijn eigen ouders waren kennelijk zo gevoelig voor deze ‘eer’ dat van hun vier overlevende zoons er niet minder dan drie naar een seminarie gegaan zijn.
De achterzijde van deze waardering werd duidelijk wanneer een leerling het seminarie verliet: een ‘gesjeesde priesterstudent’ was iets om je voor te schamen. Dat gold niet alleen voor de ouders, maar ook voor de student zelf. Nog vele jaren later vertelde ik liever niet dat ik op een seminarie gezeten had. In plaats daarvan sprak ik altijd van ‘strenge kostschool’, waarmee ik voor mijn eigen gevoel altijd een beetje loog.
De leerlingen zelf waren zich natuurlijk minder bewust van deze maatschappelijke waardering. Maar bij de beslissing al dan niet het seminarie te verlaten speelden deze argumenten op de achtergrond een belangrijke rol.
De natuurlijke banden met het gezin waren vaak een belemmering voor de afzondering die nodig geacht werd voor de beste priestervorming. Vooral in het eerste studiejaar was heimwee dan ook een regelmatig voorkomende reden om het seminarie te verlaten. Toch werd dat onder de leerlingen met opvallend weinig sympathie begroet. Iedereen had immers last van heimwee. Wie daaraan ‘toegaf’ was een slappeling, een mislukkeling. Praten over thuis werd taboe omdat het aanleiding kon geven tot ongewenste gevoelens van heimwee.
Niet alleen het ouderlijk gezin moest worden opgegeven, ook de banden met vroegere vriendjes en vooral vriendinnetjes moesten radicaal worden doorgesneden. Overal immers lagen de verlokkingen van de wereld op de loer: vriendinnen van zusjes, buurmeisjes en nichtjes, het waren even zoveel gevaren die de ‘roeping’ in gevaar brachten. Eventueel contact met die groep van vroegere vrienden en vriendinnen werd zorgvuldig gecontroleerd. In een tijd waarin deze contacten vrijwel uitsluitend door brieven konden worden onderhouden, was het logisch dat zowel de binnenkomende als de uitgaande post van de seminaristen werd opengemaakt, gecontroleerd en waar nodig gecensureerd. Zo konden onwelgevallige brieven ‘zoekraken’, ter beoordeling aan de ouders worden teruggestuurd of eenvoudig aan afzender geretourneerd. Ik ben wel eens op het matje geroepen toen ik mijn ouders geschreven had dat ik bij het splijten van een keihard gehaktballetje geconstateerd had dat beide helften via een elastiekje met elkaar verbonden bleven. Ik moest het corpus delicti inleveren (zonder restitutie!) en de brief herschrijven.
Aangezien er van vele kanten druk werd uitgeoefend om het seminarie tot een echte plaats van afzondering te maken, konden de bijbehorende maatregelen ook ver gaan. In het studiejaar 1952/53 mochten we in totaal maar drie keer naar huis, te weten in de drie vakanties (kerst, pasen, zomer). Onze ouders mochten ons behalve met sinterklaas in totaal maar drie keer bezoeken, in elk trimester eenmaal. We mochten slechts bij hoge uitzondering van de telefoon gebruik maken. Alle brieven werden zoals gezegd opengemaakt en gecensureerd. We hadden geen de radio en slechts zelden slingerde er een (goed Rooms-Katholieke) krant rond in de recreatiezaal. Alle muziek kwam uit de kapel of de pianokamers. De buitenwereld was een totaal andere wereld.
We waren nooit zonder toezicht en het was praktisch onmogelijk om ongezien te ontsnappen. Ik heb nooit gehoord dat iemand het geprobeerd had. Rond het terrein waren dichte heggen en brede en diepe sloten. De enige toe- en uitgang was de hoofdpoort, die recht in het zicht lag van alle docentenkamers.
De enige stappen buiten het eigen terrein zetten we tijdens de verplichte wandelingen, in een eindeloze stoet van meer dan 150 leerlingen, een surveillant voor en een achter. In veel opzichten leek het seminarie griezelig veel op een gewone gevangenis.
Maar omdat het deze gevangenen desondanks in principe vrijstond om op elk gewenst moment te vertrekken, waren er nog een paar andere veiligheden ingebouwd die het de leerlingen moeilijk maakten om er uit te stappen. Ik noem er drie.

Een seminarist werd door de samenleving beschouwd als iemand die persoonlijk door God was geroepen, ongeacht of hij wel of niet een persoonlijke keuze gemaakt had of zelfs een goddelijke stem gehoord had. Wie koos voor het seminarie gaf alleen al daardoor blijk door God geroepen te zijn. Die roeping ging gepaarde met bijbehorende goddelijke genade maar gaf geen enkele garantie, integendeel, die moest door de geroepene onderhouden worden. Wie de beproevingen niet doorstond viel uit de boot. Als je om welke reden dan ook vertrok, had je zelf je roeping verkwanseld. Dat was dus bewijs van een persoonlijk falen, van het feit dat je niet aan Gods roepstem had beantwoord. Voor de Katholieke gemeenschap was een gesjeesde seminarist in feite een afvallige, iemand die op het meest elementaire punt van het bestaan gefaald had. Uittreden uit het seminarie was een sociale afgang. Toen ik na het seminarie naar de universiteit ‘mocht’ gaven mijn ouders me te verstaan, dat dit mijn tweede en laatste kans was. Ondanks mijn uitstekende eindexamen had ik dus al gefaald.

Een belangrijk deel van de schooltijd werd besteed aan sociale, seksuele en religieuze indoctrinatie. Die had een groter effect naarmate het kind op jongere leeftijd was opgenomen.
Relaties met mensen buiten de seminariesfeer werden zoals gezegd ontmoedigd zo niet onmogelijk gemaakt. In feite stonden de korte en verspreide vakanties ons geen extra-murale vriendschappen toe. Oude vriendschappen verkwijnden, nieuwe werden niet gemaakt.
De afstand tussen schoolleiding, docenten en verzorgsters enerzijds en leerlingen anderzijds was onoverbrugbaar - van beide kanten. We waren dus uitsluitend op elkaar aangewezen. Maar vriendschappen tussen leerlingen uit verschillende leeftijdsgroepen waren verdacht en werden onmogelijk gemaakt. Zelfs vriendschappen tussen jaar- en klasgenoten onderling werden met kracht ontraden, argwanend gevolgd en zo nodig verboden. Het loonde ook niet om je met iemand te verbroederen. Hoe vaak gebeurde het niet, dat je na de vakantie ineens een medeleerling miste. Die was dan zonder afscheid te nemen plotseling thuisgebleven. Geen roeping meer, thuisgehouden, weggestuurd? Niemand wist het waarom. Over zulke leerlingen praten was taboe. Trachten om hun motieven te achterhalen was gevaarlijk voor je eigen blijven. Leuk of niet, het beste was om je te gedragen alsof die leerling eenvoudigweg niet meer bestond. Een plotselinge dood kon niet definitiever zijn.
Zelfs het zittenblijven van een klasgenoot betekende dus bijna automatisch het verbreken van de kameraadschap. We waren allemaal eenzame eilandjes in een zee van angstige kinderen. Een sterk voorbeeld van de structurele eenzaamheid was het feit dat we elkaar tijdens de vakanties niet mochten opzoeken.
Onthechting en versterving stonden hoog in het vaandel. Gehoorzaamheid en volgzaamheid waren hoofddeugden, zelfstandig denken en kritiek werd niet gewaardeerd en vaak genoeg bestraft.
Meisjes bestonden niet. Seks (verkeerde vriendschappen heette dat eufemistisch) tussen jongens en mannen was een gruwel. Masturberen een doodzonde. Er bleef niet veel over om de celibataire roeping in gevaar te brengen.
Een goede seminarist was wereldvreemd, social gehandicapt en in veel opzichten achterlijk. Al gauw was hij niet meer in staat om zich in de gewone wereld thuis te voelen. En daarmee was de voornaamste doelstelling bereikt.

De controle op de geschiktheid van de seminaristen gebeurde in 1952/3 door een 24-uurs toezicht gedurende 45 weken per jaar. Terwille van dit toezicht gingen twaalf- tot twintigjarigen jaar in jaar uit op dezelfde tijd naar en uit bed, ongeacht hun persoonlijke behoefte aan slaap. Het licht ging voor iedereen tegelijk uit.
Zelfs binnen het terrein werden de leerlingen danig ingeperkt. Verreweg het grootste deel van gebouw, bos en tuin waren voor seminaristen absoluut taboe. Maar ook de hen toegewezen ruimtes zoals slaapzalen, refter en recreatiezaal waren maar beperkt voor de gebruikers toegankelijk. In feite werden we de hele dag door als een kudde door het gebouw gedreven.
Gemiddeld slechts 20% van de tijd mochten de seminaristen met elkaar praten. Zeker in het begin was er dan vrijwel altijd een surveillant aanwezig die gesprekken kon afluisteren en afwijkingen rapporteren.
Tijdens de studie-uren werd toezicht gehouden op datgene waar de leerling mee bezig was. Men studeerde via een vakkenrooster. Voor jezelf lezen en schrijven waren daarbij niet toegestaan, laat staan corresponderen met medeleerlingen. Briefjes naar medeleerlingen waren mogelijke tijdbommen. In mijn eigen archief is er maar één bewaard gebleven. Vanaf het begin van mijn derde jaar hield ik een dagboek bij. Maar ik zorgde er zorgvuldig voor dat ik geen echte geheimen of afwijkende meningen opschreef: de kans op confiscatie en represailles was altijd aanwezig. Ik kan me de schok herinneren toen bekend werd dat er een leerling van school werd verwijderd vanwege onwelgevallige opmerkingen in zijn in beslag genomen persoonlijke aantekeningen.
Maar die fysieke en permanente controle was nog niet genoeg. Er stond de schoolleiding nog een betrouwbaarder toezicht ten dienste en wel het heilig sacrament van de biecht. Dat laatste verdient misschien enige toelichting omdat er altijd hoog werd opgegeven van het geheime karakter van de inhoud ervan.
Toch werden we voortdurend aangemoedigd om een vaste biechtvader te hebben. Die man, die je ‘hart en nieren’ kende, werd dan bij de bespreking van de leerlingen bijvoorbeeld tijdens rapportvergaderingen altijd het eerst gehoord. Hij hoefde geen biechtgeheimen te schenden om toch volkomen duidelijk en openbaar te maken hoe het met de roeping, de attitude en het gedrag van de betreffende leerling stond. Zijn advies was belangrijker dan een schoolrapport. Niet voor niets was regel 1 van het schoolreglement: Van een seminarist wordt verwacht dat hij elke week gaat biechten.
Die wekelijkse biecht was niet verplicht in zoverre dat er bijgehouden werd of je wel of niet ging biechten. Dat was voornamelijk om het mogelijk te maken dat leerlingen die een zogenaamde. doodzonde hadden begaan, nog dezelfde dag te biechten konden, zonder dat de hele gemeenschap begreep dat een seminarist de eeuwige zaligheid op het spel gezet had door zichzelf tot de hel te verdoemen. Het was ook mogelijk dat je eigenlijk niets speciaals te biechten had. En al werd ook dan de biecht als een goede en zinvolle loutering aangemoedigd, verplicht stellen wilde men het toch niet. Een zekere speling was dus noodzakelijk. In ons eerste jaar ging men tijdens de studie te biechten. Dat gebeurde per klas min of meer op alfabet. Aangezien er altijd een of twee leerlingen zaten te wachten voor ze aan de beurt waren, kon je rustig even wachten om te kijken of degene die voor je in het alfabet was al dan niet aanstalten maakte om te gaan. Bij twijfel stuurde de surveillant een volgende biechteling naar de kapel met een eenvoudige blik uit zijn ogen: een bewijs van het feit dat hij het in de gaten hield. Zeker in het eerste jaar kon je onmiddellijk zien wie er die week niet te biechten ging. Ook later zou je hebben kunnen bijhouden wie wel en wie niet ging, al was toen het klassikaal en alfabetisch biechten afgeschaft. Wie wel en wie niet ging bleef openbaar.
De sekte eist de onvoorwaardelijke toewijding van het individu aan de grondslagen van de groep. De exclusieve groep moet, omdat ze niet in staat is gebruik te maken van het voordeel van grote aantallen, dit compenseren door de intensieve uitbuiting van de loyaliteit van haar Leden.(LC)
2 De positie van de IJpelaar in 1952
Was een seminarie dus op zich al een vreemde en geheime plaats, het seminarie IJpelaar in de jaren vijftig had ook nog een heel speciale positie, die het ons niet gemakkelijker maakte.
Het bisdom Breda was het kleinste bisdom van Nederland en zeker niet het rijkste. In de oorlog was het oude klein-seminarie IJpelaar volledig uitgebrand en na de oorlog stond het bisdom dus voor de taak om een geheel nieuw seminarie bouwen. Deze belangrijke taak werd met grote voortvarendheid aangepakt en zeven jaar na de bevrijding van Breda verrees er op de plaats van het oude seminarie een gigantisch complex van bijbelse omvang en van zeker in die tijd ongehoorde luxe. Het lag ver van andere huizen: behalve een rijtje arbeidershuizen op een paar honderd meter afstand, waren de buitenwijken van de stad bijna een kilometer ver weg. Het centrum was een klein half uur lopen - als je stevig doorstapte. Het station kon je te voet bereiken in drie kwartier. De dichtstbijzijnde bushalte (een bus per uur) was meer dan tien minuten lopen.
Het seminarie was gebouwd op een Rijke Roomse toekomst. Nog in 1955 werd op last van de regent onderzocht hoe de toekomst van het seminarie eruit zou zien. Deskundigen berekenden toen dat het seminarie rond 2050 ongeveer 300 alumni zou hebben. Vandaar ook de ambitieuze nieuwbouwplannen die in die tijd ontwikkeld werden.
Het gebouw werd opgetrokken op de plaats van en met gebruikmaking van gedeelten van het oude seminarie. Het kreeg bouwkundig het karakter van een burcht: een smalle toegang onder een massieve defensieve frontgevel, de hoge bebouwing gegroepeerd rond een zonloos binnenplein, de kwetsbare delen aan de achterkant en het geheel omgeven door een samenstel van heggen, hekken en sloten, die zowel binnendringen als ontsnappen haast onmogelijk maakten.
De basis voor de financiering vormde het Wederopbouwfonds. Maar er moest ontzettend veel geld bij. Grote acties in het bisdom moesten jarenlang voor de nodige financiën zorgen: oud papier- en zilverpapierinzamelingen, kalenderverkoop, wekelijkse collectes in alle kerken en een vroege vorm van bedrijfsmatige sponsoring zorgden ervoor dat de bouw in 1949/50 kon beginnen. Hoewel op materialen als marmer, eikenhout en brons niet werd bezuinigd, bleef de uitvoering kloosterachtig sober, zo niet ronduit ongezellig.
Vergeleken met andere seminaries die vaak al meer dan honderdvijftig jaar bestonden en schuldenvrij waren, startte de nieuwe IJpelaar straatarm. Omdat het een particuliere school was zonder door de staat gecontroleerde examens, kwam het niet of maar zeer gedeeltelijk in aanmerking voor enige staatssubsidie.
Toch bleef het schoolgeld om begrijpelijk ideologische redenen vooroorlogs. Hoewel fl.475 per leerling per jaar ook toen veel te weinig was om van rond te komen bleef dat vele jaren lang de ouderlijke bijdrage. Een tweede kind uit hetzelfde gezin was zelfs gratis, als ik mijn vader indertijd goed begrepen heb. Het seminarie kon er niet van rondkomen, temeer daar de docenten en de verzorgende nonnen ook inwonend waren. Bovendien waren er geen (leke)broeders die tegen kost en inwoning in de tuinen konden werken. Het seminarie kon dus niet gratis zijn: om de roepingen op peil te houden was het nodig dat aanleverende ouders een bijdrage aan het onderhoud van hun kinderen werd toegespeeld. Maar vooral in grote gezinnen of die met lage inkomens was een seminarist een mooie lastenverlichtig.
Uiterst krap was het budget wel. Vandaar dat er op IJpelaar bezuinigd werd tot op en soms over de rand van het toelaatbare en overal waar dat maar mogelijk was: op eten, hobby’s, buitenschoolse activiteiten en ‘salarissen’. Pas het ius promovendi zou daar verandering in brengen.
De docenten waren het gewone samenraapsel van priester-leraren, uitgerangeerde en gedetineerde ex-zielzorgers, op een zijspoor gezette lastposten en andere klerikale randfiguren, zoals A(lfons) Asselbergs, die ongeschikt bleek voor muziek(- en piano)lessen maar die de gelegenheid kreeg om zich tot professor te Nijmegen op te werken. Verreweg de meeste ‘heren’ waren niet alleen onbevoegd, ze waren nauwelijks geïnteresseerd in bijscholing of deskundige opleiding. Velen maakten er geen geheim van dat ze veel liever in de zielzorg zouden werken, het beroep waarvoor ze in feite opgeleid waren. De meeste waren zwakke docenten met een beperkte kennis van hun leerstof.
Hun situatie was overigens niet benijdenswaardig. Net als wij waren ook zij opgesloten in het gebouw, op een klein kamertje met slaapcel, onder de 24-uurs controle van een inwonend regent, overlevend op een gratis kost en inwoning-basis met niet meer dan een klein zakgeld. In 1954 had slechts één docent, Van Steen, een motor en één (Kuijpers) een auto. Ook hun buitenschoolse contacten hadden zeker te lijden onder de isolatie waartoe het afgelegen seminarie hen veroordeelde.
De sekte streeft niet naar een groot aantal leden; zij kan er integendeel voordeel in zien ledenverlies te incasseren, als dit de eliminatie van leden die tot compromis en nadenken geneigd zijn met zich meebrengt.
3 De speciale jaargang 1952/53
Op zich waren de nieuwe leerlingen van de jaargang 1952/53 binnen het kader van het seminarie niet zo opvallend. Ongeveer een derde kwam regelrecht van de boerderij, een kwart van de ouders was in overheidsdienst - veelal ambtenaar of onderwijzer en elf procent had een ambachtelijke achtergrond. Maar een klein gedeelte kwam uit de handel en industrie.
Een op de zeven kwam uit Zeeuws-Vlaanderen, een gebied dat qua reistijd, cultuur en dialect ongeveer even ver van West-Brabant af lag als de Achterhoek. Slechts een derde kwam uit de twee ‘grote’ steden (Breda en Roosendaal), de rest kwam uit een dorp. De 35 nieuwelingen waren gemiddeld precies dertien jaar oud. De oudste, Wilfried Claerhoudt was tweeëneenhalf jaar ouder(!), de jongste, Constant Braspennings was nog net geen twaalf.
Bij hen voegden zich niet minder dan 15 zittenblijvers uit het leerjaar 1951/52. Zij waren gemiddeld natuurlijk ook ouder: veertien op drie maanden na. De oudste, Toine van Wezel, was zelfs nog ouder dan Claerhoudt, vijftien jaar en negen maanden. Deze zittenblijvers zouden het overigens niet zo heel goed doen. Een werd er weggestuurd en slechts vier zouden het zesde jaar halen. De enige van hen die erin slaagde het gymnasiumexamen te halen was Rinus van Gastel.
Was de groep leerlingen vrij zeker niet ver het gemiddelde, hun schoolprestaties waren dat wel. In het eerste jaar verdwenen er dertien, in het tweede acht, in het derde vijf, in het vierde weer acht, waarvan twee weggestuurd en in het vijfde zeven. Door instromen van buitenaf kwam in de zesde klas het totaal alsnog op elf leerlingen, waarvan er twee bij voorbaat van deelname aan het examen waren uitgesloten. Van de negen examinandi slaagden er maar zeven. Alle drie de instromers waren daar ook bij.
Al met al haalden van de 35 eersteklassers van September 1952 er maar drie binnen de gestelde termijn het eindexamen, waarvan er dan ook nog één onmiddellijk na het behalen van het examen het seminarie verliet. Van de zittenblijvers uit deze groep slaagde er nog vijf in om met een jaar vertraging alsnog het examen te halen.
Zelfs op de IJpelaar was een dergelijke ‘slachting’ uitzonderlijk. Dat van de 35 nieuwelingen in 1952/53 er maar twee (Ferdi van Campen en Jozef Driesen) uiteindelijk op tijd en compleet met examen het groot seminarie bereikten was geen hoogtepunt in de geschiedenis van de school.
Voor mij staat het vast, dat deze regent voor een belangrijk deel verantwoordelijk was voor deze harde resultaten. Bij zijn komst werden alle regels aangescherpt, waardoor er een atmosfeer van tucht en orde heerste die zowel op leerlingen als op de ‘heren’ verlammend werkte. Wie zich niet aanpaste, verdween zonder een spoor na te laten, wie bleef werd in het keurslijf geperst, of hij dat nou leuk vond of niet.
Ook voor de heren waren met de komst van De Lepper harde tijden aangebroken. De nieuwe bezem veegde ook in de voorbouw alles brandschoon. En niet alleen werden de gedragingen en de prestaties van deze heren aan een nauwgezet onderzoek onderworpen, al spoedig werd de grote meerderheid, die onbevoegd lesgaf, hard aan het werk gezet. In de loop van de jaren haalde de meerderheid van de leraren hun ‘akte’ of doctoraal. De rest verdween zonder veel ceremonieel en werd vervangen door nieuwe priesterleraren of zelfs leken als ‘Pa’ van Bergen, Verheggen en ‘Baardaap’ Neyens.
Geen wonder dat de heren weinig tijd en energie hadden voor het normale lesgeven. Zoals ‘Kaai’ van Steen het zo treffend uitdrukte: ‘Ik leg het maar één keer uit, en wie het dan nog niet snapt die mag het in de vakantie nog eens komen vragen.’ Slechts een enkele docent, zoals ‘Seut’ van Waesberghe en Melsen, slaagde erin om de lessen enigszins interessant en leerzaam te maken.
Dat de schoolprestaties van de leerlingen dan ook beneden peil waren, hoefde in eerste instantie geen bezorgdheid te wekken. Hun aanwezigheid werd bepaald door andere factoren dan die van de succesvolle schoolloopbaan. Op het eind van de vijfde klas was de situatie zo dramatisch geworden, dat de achterstand van een groot aantal leerlingen zodanig was, dat men ze de vijfde liet doubleren. Sommige leerlingen kregen de keus: de vijfde overdoen of de zesde zonder examen. En desondanks slaagden er nog maar zeven van de negen examinandi. Ter vergelijking: van de jaargang 1951/52 bereikte bijna een kwart het groot seminarie binnen zes jaar en met diploma.
Dat de jaargang 1952/53 zo speciaal was, lag waarschijnlijk toch wel voor een belangrijk deel aan de nieuwe leider van het seminarie De Lepper.
Ik beschik niet over veel biografische feiten over de man, maar hij bezat ontegenzeggelijk vele capaciteiten. Daaronder was zeker die van de grootste boeman die mijn klasgenoten en ik ooit ontmoet hebben. De Lepper was ook een geleerd man. Na zijn priesterwijding had hij Klassieken gestudeerd, was afgestudeerd en zelfs gepromoveerd - als een van de zeer weinige in die tijd. Hij had een lijvig boek geschreven en gepubliceerd over de Romeinse godenwereld en op ruim veertigjarige leeftijd was hij klaar voor ‘het grote werk’.
Na een korte (leer?)periode als rector aan een Bredaas lyceum werd hij door de bisschop belast met de algehele leiding van de IJpelaar. Hiermee wees het bisdom een van zijn meest capabele mensen aan deze taak toe. Ik weet niet of deze eerzuchtige wetenschapper hiermee op een non-episcopabel zijspoor gezet werd of dat het aantoonde hoezeer het bisdom Breda de opleiding van zijn toekomstige priesters serieus nam.
De Mina zoals hij bij ons mysterieus genoeg genoemd werd1 was op deze specifieke taak nauwelijks voorbereid. In elk geval had hij na zijn middelbare school zelf geen bemoeienissen gehad met een klein seminarie en had hij alleen maar ervaring met een ‘gewone’ middelbare school. Zijn ontegenzeglijke kwaliteiten maakten hem nog niet automatisch geschikt om leiding te geven aan zo’n complex en gevoelig instituut. Hij was duidelijk geen ervaren opvoeder en evenmin een doorknede bestuurder, toen hij bij IJpelaar aantrad.
Maar één ding wist hij wel zeker: hij moest met vaste hand de leiding nemen wilde er iets van terecht komen. En dat was precies wat hij deed. Het eerste jaar dat hij de touwtjes in handen had, wilde hij helemaal niets veranderen aan de oude orde. Alleen allerlei ingeslopen leerlingenprivileges werden met onmiddellijke ingang afgeschaft. De tucht werd met straffe hand aangehaald, zijn macht werd onbetwist gevestigd. Alle leerlingen en docenten werd duidelijk de wacht aangezegd.
En wij waren van deze nieuwe Bint de allereerste pupillen, de voorhoede van een nieuw geslacht seminaristen. Wij waren de allereerste generatie toekomstige priesters waarover hij het bevel kreeg. Ik weet zeker dat wij als klas en als individuen hem zijn hele leven bijgebleven zijn. Daarvoor hoef ik alleen maar terug te denken aan mijn eigen allereerste klassen.
In zekere zin waren wij zijn oudste kinderen. En zoals elke nieuwe ouder verwachtte hij van zijn oudsten de meeste prestaties. Het is dan ook geen wonder dat van de ongeveer vijftig leerlingen die in 1952 begonnen en die zijdelings zijn ingestroomd er maar 11 de eindexamenklas haalden en maar acht het examen. En dat in een tijd waarin Dellepoort berekende dat ‘slechts’ een kwart van de seminaristen priester werd. Bij ons was dat nauwelijks een tiende.
Op ons heeft hij het vak geleerd. En dat deed hij niet slecht. In zekere zin was hij zelfs zo goed dat hij zichzelf en zijn oorspronkelijke doelstellingen helemaal overleefd heeft. Een paar jaar later was de sfeer al duidelijk aan het veranderen, al was er ook toen voor eigen initiatief of inbreng van leerlingen nog weinig ruimte. Maar er waren toen intussen al leerlingen die konijnen mochten houden, groentetuintjes verzorgden en modelvliegtuigen bouwden. Het seminarie dat wij in 1958 achterlieten was al sterk veranderd.
leerlingcontacten met de ouders waren uitgebreid, via meer contacturen en zelfs een maandelijkse thuiskom-dag;
de school was een door de staat erkend gymnasium met echte lerarensalarissen en subsidies, waardoor de kwaliteit van de docenten sterk verbeterde;
de schulden waren draaglijk geworden en
er was zelfs nieuwe nieuwbouw bij deze nieuwbouw,
er was een netwerk van culturele contacten met Bredase scholen, waardoor zelfs meisjes de heilige gronden betraden;
er heerste een opener sfeer, die latere seminaristen op een heel andere manier doet terugkijken op hun middelbare schooltijd dan wij dat doen.
De Mina, die in staat geacht moest worden tot een briljante carrière in de kerkelijke hiërarchie, heeft het uiteindelijk tot zijn levenswerk gemaakt om het seminarie-oude-stijl over doen gaan in een gewone school. Hij heeft dat niet zomaar meegemaakt, hij was er de motor van.
Startend vanuit de bijna kloosterachtige sfeer van het besloten seminarie heeft hij het instituut als zodanig feitelijk opgeheven en laten overgaan in een middelbare school als alle andere. Op zijn eigen terrein heeft hij de Middeleeuwen naadloos naar de moderne tijd weten te voeren.
Dat plaatst hem voor mij in een totaal ander licht. En ineens herinner ik me twee gebeurtenissen die aantonen dat wij hem erg eenzijdig bezagen. De eerste was de aanwezigheid van zijn moeder bij zijn vijfentwintigjarig priesterfeest, dat hij op zijn eigen seminarie en met ‘zijn eigen jongens’ gevierd heeft. Hij was er duidelijk trots op dat hij zijn moeder kon laten zien wat hij deed en hoe hij het deed. Hij wilde haar laten delen in zijn leven. Ik vond het indertijd vreemd: een ‘oude’ man laat zijn moeder, die ouder was dan mijn eigen grootmoeder, opdraven bij zijn werk. Achteraf vind ik het ontroerend menselijk. Een paar jaar later stierf ze en kregen we allemaal een bidprentje.
En het tweede is zijn reactie op mijn toespraak bij zijn prelatisering, het paars dat behoorde bij het Geheim Kamerheerschap van de paus, bij mijn weten de enige kerkelijke onderscheiding die hij heeft gekregen. Ik zei toen tijdens de toespraak letterlijk:
U hebt begrepen, dat een nieuwe tijd was aangebroken. Door Uw toedoen liet de liturgische beweging, die overal veld wint, ook IJpelaar niet ongemoeid. (...)Niet alleen op gebied van Kunst, Cultuur en Liturgie hebt U zich onschatbare verdiensten verworven, maar ook op het gebied van de Wetenschap. In vijf jaar tijds bent U er in geslaagd, voor ons het Ius Promovendi te verwerven, en ons over te leveren aan een keur van bevoegde leraren.(...) Nee, wij erkennen, dat wij U grote dank verschuldigd zijn.
Wanneer men dagelijks met iemand omgaat, komt men er niet zo gemakkelijk toe, deze erkentelijkheid tot uitdrukking te brengen. Daarom vonden wij het een uitstekend idee (...) om een dag in te stellen, waarop hiertoe de gelegenheid zou zijn.
Een soort vaderdag dus, maar dan zonder de gebruikelijke pijp en pantoffels. Dit is de dag om U te bedanken.
De oprechte ontroering op zijn gezicht was voor mij een wonderlijke ervaring. Bij de daarop volgende excursie naar de Expo’58 heb ik zonder angst in de bus naast hem gezeten, zowel op de heen- als op de terugweg. Ik begon misschien te beginnen om hem een heel klein beetje aardig te vinden.
Het was voor ons te laat om onze mening over de man te wijzigen - daarvoor hadden we ook teveel geleden en daarvoor waren de veranderingen nog te subtiel en te incidenteel. Maar het geeft aan waarom en waarom juist deze periode voor het leven van ons allemaal zo belangrijk en zo zwaar geweest is.
Natuurlijk herinner ik me zijn donderpreken, de arrogantie waarmee hij zijn suprematie over leerlingen en docenten demonstreerde en het overduidelijke plezier dat hij er in had om ons onze nederige plaats te wijzen. Ook kan ik me nog levendig herinneren hoe hij haast kon schuimbekken als hij gedwarsboomd werd - misschien ben ik wel de enige leerling die hij in zijn hele leven lijfelijk heeft aangepakt.
Maar toch zie ik in hem ook een idealistische en bekwame man, die zijn leven wijdde aan een ideaal, dat ver voorbij zijn eigen belang en dat van zijn kerk lag. Het belang van de kinderen die hij zelf nooit gekregen heeft.

Regent bij de Gratie Gods
Het is moeilijk om je een overdreven beeld te vormen van het ontzag die ‘onze’ regent ons jongens van het Seminarie IJpelaar al die jaren heeft ingeboezemd. De Lepper was zich bewust van dat image. En vermoedelijk genoot hij ervan.
Wat ons van het begin af opviel was de afstand die hij bewaarde tot zijn leerlingen. In het gemoedelijke Brabant van die dagen werd terughoudendheid vaak versleten voor hooghartigheid en arrogantie. En dat was juist de indruk die De Lepper bij ons wekte. Nooit zouden wij hem op een glimlach betrappen of het moest de neerbuigende glimlach zijn van de machthebber die de hem toekomende eerbewijzen in ontvangst nam.
Wij vonden hem ijdel: hij besteedde veel aandacht aan zijn uiterlijk - wat zeker in die tijd en die kringen niet gebruikelijk was. Hij parfumeerde zich, niet zo erg als Clement, maar toch net genoeg om een kielzog te trekken van bescheiden geurigheid. Zijn toog was van een superieure kwaliteit en daar was nooit een vlekje of een glimmende plek op te ontdekken. Hij zag er altijd uit om door een ringetje te halen, zoals blijkt uit het gedicht (zie bijlage) dat ik indertijd over hem schreef.
Zijn bleke handen waren keurig verzorgd, met kortgehouden stevige nagels. Zijn hoofd was aan de bovenkant helemaal kaal. De Lepper accentueerde dat door ook de zijkanten uiterst kort te houden, zodat de kaalheid er min of meer als zelfgekozen uitzag. Ik kan me ook niet herinneren dat wij grapjes maakten over zijn kaalhoofdigheid, iets wat we bij andere heren, zoals Clement, Melsen en Dellepoort, wel deden. Hij rookte niet. Slechte één keer hem ik hem een sigaret zien roken. Hij poseerde ermee, nuffig en bijna vrouwelijk koket.
De Lepper gedroeg zich als de man die hij in die jaren wilde zijn: de verlichte regent, die onder een hem persoonlijk door de bisschop verleend goddelijk gezag verantwoordelijk was voor alle aspecten van de hem toevertrouwde gemeenschap. Hij was een strenge maar minzame absolute vorst.
De Lepper liep niet, hij schreed. Hij kende en noemde elke leerling bij de achternaam. Zijn persoonlijke bemoeienis met ons ging vrijwel altijd gepaard met correcties, vermaningen, jobstijdingen en straf. Wie bij de regent moest komen, liep te bibberen. Waar bij ongeregeldheden andere toezichthouders tekortschoten bracht alleen al zijn aanwezigheid onmiddellijke stilte tot stand.
Eenzelfde ontzag voor hun regent bezaten zeker in de begintijd ook de heren, de docenten die vrijwel allemaal binnen de muren van het seminarie woonden en die hem een bijna kloosterlijke gehoorzaamheid verschuldigd waren. Van sommige docenten konden we merken dat ze bang waren voor hun superieur: Brouwers, Kuijpers en Melsen hoorden daarbij. Anderen zoals Van Steen en Van de Pol leken zich min of meer besmuikt te verzetten, maar tot openlijke uitingen hebben wij het nooit zien komen. Van enkelen konden we aannemen dat ze respect of zelfs waardering hadden voor de regent: Van Waesberghe, Peters, Hermans en Dellepoort hadden schijnbaar weinig moeite met hem. De overgrote meerderheid schikte zich in het nieuwe en strenge regiem. De enigen van wie ik wel eens heb bemerkt dat ze De Lepper graag mochten waren de nonnen. Waarschijnlijk had hij daar een galant(?) zwak voor.
Onze angst voor hem was niet helemaal ongegrond. Hij kon je met een eenvoudig handgebaar van het seminarie verwijderen, een vonnis zonder mogelijkheid tot beroep. Het overkwam mij met Pasen in de tweede klas. Ik had hem door mijn koppig en onverzettelijk gedrag kennelijk zo getergd, dat hij mij bij mijn kraag gepakt heeft en letterlijk met een trap onder mijn broek de deur uitgeschopt heeft: ‘Gá maar, gá maar!’ Maar toen mijn verontruste (en woedende) ouders mij even later op de knieën dwongen om De Lepper te smeken weer terug te mogen komen, liet hij zich - tot mijn grote verbazing - toch vermurwen. Het verbaasde noch mij noch mijn ouders ook maar een beetje dat De regent bij beide acties geen enkele rekening hoefde te houden met zijn docentenkorps.
Voor de meeste jongens was hij een boeman, waar ze vijftig jaar later nog met een mengeling van ontzag en afschuw over praatten. Wie hem per ongeluk tegenkwam op de gang haalde tersluiks zijn hand uit zijn broekzak, keek schuw opzij en onderzocht zijn geweten. Het gebeurde niet vaak dat we in de klas of in de refter keet schopten. Maar als er één begon te sissen: "De Mina, de Mina", dan hield iedereen onmiddellijk op.
We zagen hem overigens niet zo vaak. Hij deed elke ochtend trouw de ochtendmeditatie, een minuut of tien vanaf de preekstoel waarbij hij mij altijd wel wist te boeien. Wat hij vertelde herinner ik me als intelligent en redelijk. Geen donderpreken over hel en verdoemenis. Geen larmoyante verhalen over het lijden van Jesus. Geen opzwepende verhalen over de kracht van het geloof of de Goddelijke genade. In plaats daarvan eenvoudige theologie - ik herinner me interessante verhalen over de Drievuldigheid, de sacramenten en het voorgeborchte -, verhandelingen over en opwekkingen tot eenvoudige christelijke deugden en historische bijbelexegese.
Hoeveel indruk dat laatste kon maken toont een anekdote, die ik me nog levendig herinner. De Lepper had het over de blinde, die naar Jezus kwam met de vraag: ‘Rabboni, ut videam - Heer, dat ik zien moge.’ De Lepper legde omstandig uit waarom de man Jezus met Rabboni aansprak en verwijlde met kennelijk plezier bij de vraag of en zo ja onder welke omstandigheden gebed enige zin had. Ik weet ook nog dat hij uitgebreid stilstond bij de vraag of de almachtige God de man de blindheid gezonden had om Jezus de gelegenheid te geven hem te genezen. Het was een lange, lange preek en nog maanden later bauwden we hem overal na: Rabboni ut videam!
De Lepper stelde zich bij mijn weten niet beschikbaar als biechtvader - hij zou toch wel geen klanten gekregen hebben. Hij surveilleerde nooit en in feite zagen we hem eigenlijk uitsluitend bij de morgenmeditatie en natuurlijk gedurende de zondagse hoogmis, die hij in grootse stijl en met veel aplomb celebreerde. Daarbij ontzag hij zich niet om waar nodig van zijn ongenoegen blijk te geven. Ik herinner me dat hij eens een plechtige mis onderbrak om een waarschuwing te geven aan wie zich in zijn ogen misdroeg.
In de vijfde klas kregen we plotseling les van hem: hij gaf Grieks: Homerus. Onze klas was toen gereduceerd tot vijftien jongens en we waren geschokt te zien dat we van De Mina les zouden krijgen. Als docent viel hij behoorlijk mee. Natuurlijk had hij geen ordeproblemen, dat had bijna niemand. En we werkten ons een ongeluk om altijd alles af te krijgen en nog goed ook. Niemand zou het in zijn hoofd halen om de les van de Mina niet perfect voor te bereiden.
Maar hij concentreerde zich op langzame en goedwillende leerlingen - althans die leerlingen die examen mochten doen. Hij hield van zijn vak en hij probeerde die liefde ook werkelijk over te brengen op zijn leerlingen. Dank zij hem raakte ik al gauw in de ban van Homerus. Ik ging stukken zelf lezen, ik maakte berijmde vertalingen in hexameters - die ik niet durfde te laten zien- en ik zocht in de les naar haast literaire vertalingen. De Lepper had er waardering voor. Zo zaten we eens te zoeken naar de beste vertaling van ουκ ὑγιῃα (niet gezond, niet lekker). Toen de perfecte vertaling ‘onfris’ viel, heerste er een intense tevredenheid. Ik kreeg zelden meer een beurt, maar hij wist mij te vinden als we niet op het goede vertaalwoord konden komen. Ik voelde me gewaardeerd en dat was waarachtig de eerst (en tegelijk ook de laatste) keer in mijn schoolloopbaan.
Tijdens de reis naar en van Brussel zat ik dus vrijwillig en als enige naast De Lepper in de bus. Misschien was ik overmoedig geworden door het feit dat ik de priesteropleiding zou verlaten. Maar ik vond het best interessant. Op het eindexamen haalde ik voor Homerus gemakkelijk een negen. Na het examen schreef hij me het volgende briefje (let op het briefhoofd!):

Ik vond het een vreemd briefje. Was ik ineens een Beste en een Frans? En een prettige Homerus-leerling? Ondanks wat precies? Ik voelde me alsof ik achteraf alsnog een kat gekregen had. Maar achteraf bezien heeft hij misschien gewoon het kader aangegeven waarbinnen we elkaar persoonlijk ontmoet hadden.
Natuurlijk ben ik nooit teruggegaan om hem ook maar iets te vertellen. Maar achteraf denk ik dat het minder een holle frase was dan ik toen dacht.
Misschien hebben we een eenzijdig beeld gekregen van de man. Of misschien heeft hij zich in een onverwachte richting ontwikkeld. Het was voor de meesten van onze jaargang ronduit schokkend om te horen, dat ‘onze’ Mina, twintig jaar later en nog steeds rector van het Lyceum De IJpelaar, regelmatig op schoolfeestjes aanwezig was en vaak als gangmaker van de feestvreugde fungeerde.
Rabboni, ut videam.
Kleine, exclusieve, centripetaal georganiseerde groepen hebben het nodig beslag te leggen op de totale persoonlijkheid en de leden indien zij werkelijke of potentiële aanvallen van buitenaf willen kunnen doorstaan.
Nawoord
Voor mij is de veranderde kijk op De Lepper een late overwinning op mijn seminarie-conditionering. Hij helpt me om vrede te hebben met wat ik meegemaakt heb - samen met mijn klas- en lotgenoten.
De institutie waar wij mee te maken kregen, gepersonifieerd in zijn regent, was zeker in het begin wel uitzonderlijk gulzig en almachtig. Dat alles later anders werd hielp ons toen niet veel. Maar of we er nu trots op mogen zijn of juist niet, we hebben het gered. Ze hebben ons uiteindelijk toch niet klein gekregen, laat staan opgeslokt.
Hopelijk hebben we juist door die moeilijke start in het leven wel dingen geleerd die anderen ontgaan.
LandHaven, 2002
Heren-Cyclus
Nr. 1

verschijnt in onze klas;
een buik van hoog gehalte
staat als een vreemd gewas
achter zijn toog te prijken
en ogen, blauw van staal,
zijn ons aan het bekijken,
en, ‘t ergst van allemaal:
de bleke smalle lippen,
die, getuit door glazen zijn
voorzichtig aan te nippen,
heel giftig kunnen zijn;
mar ook zijn zwarte schoenen
drukken al heel veel uit!
Zwarter kan men niets boenen,
ze maken geen geluid;
de singel om de wijde
en zwarte herentoog,
ze hangt hem steeds terzijde,
te laag niet noch te hoog;
met woorden zoet als honing
maar zuur vaak als een krent
verpest hij onze woning,
dat is de ‘heer’ regent.
FH, IJpelaar’57